Terug

 

Recht op een woning in goede staat.  

 

De verhuurder moet de woning bij het begin van de huur "in goede staat van onderhoud" leveren. De verhuurder moet er dus voor zorgen dat de nodige herstellingen en onderhoudswerken (vb. schilderen, behangen,…) zijn gebeurd wanneer de huurder er gaat wonen. De verhuurder kan hieraan ontsnappen door in het contract op te nemen dat “de huurder het goed ontvangt in de staat waarin het zich bevindt”.

 

Met deze bepaling kan de verhuurder uiteraard niet aan al zijn verplichtingen ontkomen. Zo moet de woning (volgens de Woninghuurwet) altijd voldoen aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid. De verhuurder kan de bepaling ook enkel inroepen voor de "zichtbare" toestand van de woning. Dit betekent dat wanneer bepaalde gebreken van de woning pas na een tijdje zichtbaar worden, de verhuurder zich niet op deze bepaling zal kunnen beroepen. 

 

Als de verhuurder de woning niet in goede staat levert, kan de huurder uiteraard stappen ondernemen: 

 

de huurder kan de ontbinding van de huurovereenkomst (met schadevergoeding) vragen

de huurder kan stoppen met het betalen van de huur zolang de verhuurder in gebreke blijft

de huurder kan aan de rechter toelating vragen om zelf de nodige werken (op kosten van de verhuurder) te laten uitvoeren

de huurder kan aan de rechter vragen dat de verhuurder de nodige werken uitvoert.

Opgelet : u mag niet zomaar overgaan tot één van de bovengenoemde stappen. Als er bijvoorbeeld een stukje behangpapier loshangt, mag u niet zomaar stoppen met het betalen van de huur. Wees voorzichtig en win deskundig advies in alvorens tot actie over te gaan. Probeer steeds om eerst met de verhuurder te overleggen.

 

  

8 JULI 1997. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden waaraan ten minste voldaan moet zijn wil een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats in overeenstemming zijn met de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid.

Bron : JUSTITIE      Publicatie : 21-08-1997      Inwerkingtreding : 31-08-1997

 

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  - woning : een verhuurd gebouwd onroerend goed of gedeelte van onroerend goed, bestemd als hoofdverblijfplaats van de huurder;
  - woonvertrek : een gedeelte van een woning bestemd om te worden gebruikt als keuken, woon- of slaapkamer.
Artikel 2. De volgende lokalen kunnen geen woonvertrek vormen : de voor- of inkomhallen, de gangen, de toiletten, de badkamers, de wasruimten, de bergplaatsen, de niet voor bewoning ingerichte kelders, zolders en bijgebouwen, de garages en de lokalen voor beroepsbezigheden.
  De oppervlakte en het volume van de woning moeten voldoende ruim zijn om er te koken, te wonen en te slapen. Elke woning moet ten minste één vertrek bevatten bestemd als woon- en slaapkamer. Dit vertrek moet voor eigen gebruik zijn.
  Wanneer een gebouw verscheidene woningen bevat, mogen één of meer gemeenschappelijke gedeelten van dat gebouw gebruikt worden voor andere activiteiten dan het wonen en slapen.
Artikel 3. Het onroerend goed en inzonderheid de fundering, de vloeren en het timmerwerk mogen geen uitwendige of inwendige structurele of stabiliteitsgebreken vertonen of andere gebreken zoals scheuren, breuken, uitgesproken slijtageverschijnselen of de aanwezigheid van zwammen of parasieten die de veiligheid of gezondheid in het gedrang kunnen brengen.
Artikel 4. De woning moet vrij zijn van vochtinfiltratie door het dak, de dakgoten, de muren of het buitenschrijnwerk alsook van opstijgend vocht via de muren of vloeren die de gezondheid in het gedrang kunnen brengen.
Artikel 5. Ten minste de helft van de woonvertrekken bestemd om te worden gebruikt als woon- of slaapkamer moeten voorzien zijn van een natuurlijke lichtbron. Deze natuurlijke lichtbron moet ten minste 1/12 bedragen van de vloeroppervlakte van dit vertrek. Voor de kelderwoonvertrekken wordt hiertoe geen rekening gehouden met de helft van de vensteroppervlakte onder het grondniveau.
  De woonvertrekken en de sanitaire vertrekken zoals de badkamer, de douche en het toilet die niet kunnen worden verlucht via een raam dat kan worden geopend, moeten minstens beschikken over een opening, een verluchtingsrooster of -koker. De vrije oppervlakte van die opening, dat rooster of die koker in geopende toestand moet ten minste 0,1 % van de vloeroppervlakte bedragen.
  Elke warmwaterinstallatie of elk ander verwarmingssysteem dat verbrande gassen produceert, moet voorzien zijn van een goed functionerend afvoersysteem dat uitgeeft op de open lucht.
Artikel 6. De woning moet ten minste voorzien zijn van :
  1° een eigen, permanent toegankelijk tappunt voor drinkbaar water;
  indien het gebouw verscheidene woningen bevat waarvan één of meer gemeenschappelijke gedeelten gebruikt worden voor andere activiteiten dan het wonen en slapen, dan volstaat de aanwezigheid van een gemeenschappelijk tappunt voor drinkbaar water in de gemeenschappelijke delen;
  2° een gootsteen met een reukafsnijder, aangesloten op een afvoersysteem dat functioneert;
  3° een eigen toilet, in of aansluitend bij het gebouw en bruikbaar gedurende het gehele jaar. Verscheidene woningen gelegen in hetzelfde gebouw mogen het toilet evenwel gemeenschappelijk hebben voor zover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
  a) die woningen zijn gelegen op een of twee aaneensluitende woonverdiepingen;
  b) hun aantal bedraagt niet meer dan vijf;
  c) het toilet is toegankelijk via de gemeenschappelijke delen.
  4° een elektrische installatie goedgekeurd door een erkende keuringsinstelling, wanneer een zodanige goedkeuring vereist is krachtens de geldende regeling, of die geen risico inhoudt bij normaal gebruik. Elk woonvertrek moet elektrisch kunnen worden verlicht of tenminste voorzien zijn van een contactpunt voor stroomafname;
  5° voldoende verwarmingsmiddelen die geen risico inhouden bij normaal gebruik of tenminste de mogelijkheid om één of meer verwarmingstoestellen te plaatsen en aan te sluiten;
  6° een permanente toegankelijkheid tot de smeltveiligheden van de elektrische installatie van de woning.
  Indien de woning is uitgerust met een gasinstallatie, moet deze goedgekeurd zijn door een erkende keuringsinstelling, wanneer een zodanige goedkeuring vereist is krachtens de geldende regeling, of mag zij bij normaal gebruik geen gevaar opleveren.
Artikel 7. De eigen woonvertrekken moeten steeds vrij toegankelijk zijn, rechtstreeks via de openbare weg of onrechtstreeks via een toegang die verscheidene woningen gemeenschappelijk hebben of via een vertrek dat door een bewoner wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden. Zij moeten kunnen worden afgesloten zodat enkel de bewoners toegang hebben.
  De trappen naar de woonvertrekken moeten vast zijn en gemakkelijk toegankelijk. Zij mogen geen risico inhouden bij normaal gebruik.
  De woonvertrekken, de trappen naar de woonvertrekken en de uitgangen moeten zodanig geconstrueerd zijn dat zij een snelle en gemakkelijke ontruiming van personen mogelijk maken.
  De op een verdieping gelegen vensters en deuren die uitgeven op de buitenzijde van de woning tot op een hoogte van minder dan 50 cm van de vloer, moeten beveiligd zijn door een vaststaande leuning.